Een kontje naar God

Portret van F. Starik
uit Hier besta ik | In eenzaamheid gestorven
tekst
Hester van Hasselt, foto Bianca Sistermans

Het eerste overlijden in mijn leven was dat van mijn opa. Hij hield van mij en ik hield zo mogelijk nog meer van hem. We hadden altijd al een bijzondere band. Ik ben de middelste van drie zonen, de oudste werd de belangrijkste geacht, het was not done dat ik opa’s lievelingetje was. Maar vlak voordat hij doodging vroeg hij naar mij en in mijn herinnering of verbeelding heb ik zelfs een moment alleen met hem gekregen. Ik stond daar als jongen van twaalf naast zijn ziekenhuisbed. We hielden elkaars handen vast en keken elkaar in de ogen. Hij glimlachte ten teken dat het goed was. Dat was een heel krachtige ervaring, een groots, heilig moment.

Het wonder dat iets dood is kende ik al van de vele vissen, konijnen en cavia’s die ik op mijn eigen privékerkhof achter het schuurtje in de moestuin begraven had. Daar kweekte ik ook aardappels, tussen de lijkjes van mijn overleden vrienden. De dood is een fascinerend onderwerp, door alle tijden heen. Het feit dat je leeft betekent dat je sterft.

Het dichterschap als zodanig is een poging om aan de dood te ontkomen door iets te maken wat jou overleeft. Al is dat streven ijdel en is het uiterst onwaarschijnlijk dat je na je dood nog gelezen wordt. Maar voor iedere dichter is er natuurlijk het voorportaal van de onsterfelijkheid, dat er tenminste een regel van je bewaard blijft in het collectieve geheugen. En als dat er niet in zit, in het geheugen van een volgende generatie dichters.

Toen ik met ‘De eenzame uitvaart’ begon, werd ik getroffen door de respectvolle manier waarop het Bureau Uitvaarten van Gemeentewege in Amsterdam met de doden omging. Het eerste wat ik leerde van Meneer Fritz, die destijds de afdeling leidde, is: ‘Wij oordelen niet. Hoe iemand ook heeft geleefd en wat hij ook heeft gedaan, wij zijn niet de rechter.’

Vandaag hadden we een heel stille eenzame uitvaart, we waren maar met zijn drieën: de uitvaartleider, dichter van dienst Eva Gerlach en ik. We hebben het alle drie heel fysiek en intens ervaren. De overledene was iemand die geboren was als Wim, maar nu Wilma heette. De muziek rijmde prachtig op het gedicht. We kwamen alle drie geschokt uit de aula terug. Het heeft ook iets dankbaars. Het voelt toch alsof je dat voor iemand hebt kunnen doen. Eva Gerlach zei in de aula dat ze het een heel moedige vrouw had gevonden. Dat was fijn. Haar gedicht had een buitengewoon sterke slotregel: ‘Dood is verwachting die wordt opgeruimd.’

Iedere eenzame uitvaart heeft een andere impact. Het maken van een verslag is voor mij een methode om het weer af te sluiten. Uiteindelijk gaat het niet om mij maar om de overledene, om zo intensief mogelijk aan dat afscheid bij te dragen. Het is toch raadzaam om de overledene een kontje naar God te geven, waarmee ik niet zeg dat God bestaat.

Mijn favoriet is meneer Van der Werf, een ongelooflijke fantast. Zijn zus, die al jaren geen contact meer met hem had en niet naar de begrafenis zou komen, vertelde me via de telefoon over zijn leven. Dat hij een socialist in hart en nieren was en dat de Duitsers hem in de oorlog door zijn hand hadden geschoten. Sindsdien stond zijn middelvinger stijf omhoog. Op basis van deze informatie schreef ik een gedicht. Het bizarre was dat na de uitvaart een kleindochter zich meldde, die vertelde dat er niets van het verhaal klopte, dat haar opa’s leven helemaal niet zo heldhaftig was geweest. Voor mij veranderde dat eigenlijk niks. Ik ben blij dat ik hem in zijn eigen heroïek heb weggebracht.

‘De eenzame uitvaart’ koppel ik aan de dood van mijn vader. Zijn crematie was vrijwel een eenzame uitvaart. Hij wilde dat het afscheid in kleine kring zou plaatsvinden; alleen mijn moeder, mijn broers en ik mochten er zijn. Mijn oudste broer heeft kort iets gezegd, dat mijn vader een moeilijke man was, maar dat we toch van hem hielden. Daarna hebben we zitten wachten op wat er nog zou gebeuren, maar er gebeurde niks. Na een kwartier kwam de uitvaartleidster ons zeggen dat het zo wel genoeg was.

Bang voor mijn eigen dood ben ik geenszins. Ik ambieer niets anders dan dichten, ik ben met het meisje met wie ik het liefst ben en mijn zoon is bijna volwassen. Hij heeft jarenlang Pokémon gespeeld op de computer. Aan het eind van iedere game schalde door het huis: ‘Heb je gedaan wat je wilde doen? Dan kun je nu afsluiten.’